Het wikken en wegen van wiki-journalism

Slechts 2% van de internetgebruikers weet wat een wiki is (Bradshaw, 2007). Hieruit mag ik concluderen dat we met nog minder zijn die weten wat ‘wiki-journalism’ is. Wikis zijn een manier om online heel veel informatie te verzamelen met behulp van verschillende auteurs. Met ‘heel veel informatie’ bedoel ik een hoeveelheid die onmogelijk door een persoon kan worden vergaard. Handig, zou je denken, maar waarom kennen wij in België dit fenomeen niet echt? Shane Richmond bedacht twee hoofdoorzaken waarom wikis nog niet alom gekend zijn: onnauwkeurigheid en vandalisme. Beschikbare informatie op een wiki is vaak niet altijd even accuraat of wanneer deze dat wel is, wordt ze soms incorrect aangepast of irrelevant aangevuld (aka “trolling”). Volgens Gillmor (2004) zijn mensen ook niet zo dol op wikis omdat men niet weet in hoeverre er achterliggende belangen betrokken zijn. Er is met andere woorden een gebrek aan transparantie.

Wikipedia is het bekendste voorbeeld van een wiki dat we ondertussen allemaal kennen. Deze online encyclopedie is zelfs een van onze primaire bron van kennis geworden. Als iets niet terug te vinden is op Wikipedia zijn we vaak het noorden kwijt. Je zou denken dat zo’n online database ongelooflijk handig is, maar laten we toch even de pro’s en contra’s bekijken voor we dit concluderen. Tintin Wikipedia-Chad Naast de alom gekende encyclopedie-wiki bestaat er ook zoiets als wiki-journalism. Net zoals algemene informatie wordt verzameld op Wikipedia, wordt op wiki-journalism nieuws verzameld over van alles en nog wat. Letterlijk iedereen kan er nieuws op zetten, waardoor de omvang van het resultaat niet vergelijkbaar is met wat op een redactie zou kunnen worden bekomen (Rosen, 2006). Het is eigenlijk een soort van discussie ruimte waarin nieuws steeds wordt aangevuld door verschillende personen die met elkaar in een productieve dialoog zijn getreden. Deze user generated content (UGC) is gratis en ligt erg in de smaak bij lezers, waardoor redacties ze wel eens publiceren op hun sites (Bradshaw, 2007).

Wiki-journalism heeft naast zijn net besproken voordelen ook nadelen. De voltooiing van een volledige en correcte wiki duurt soms een poosje, wat niet overeenstemt met de tijdsdruk binnen nieuwsredacties. Daarnaast moet de redactie soms wel kosten uitgeven bij het continu nakijken en aanpassen van de UGC (Bradshaw, 2007). Wikis zijn dus niet vanzelfsprekend economisch voordelig volgens Jeff Howe:

“Attempting to use crowdsourcing simply as a cost-saving 
measure [doesn‟t work]. Communities must be cultivated, 
respected and deftly managed if they are to come together 
to create economic value. This takes talented staff, and 
a set of skills not taught in journalism or business schools.” 
– Jeff Howe

Omdat ik niet echt gekend was met het wiki-journalism-fenomeen ging ik eens een kijkje nemen. Het duurde niet lang tot de volgende (oer-logische) bedenking me te binnen schoot: Nieuws vervliegt sneller dan feiten. Wiki-journalism is dus slechts voor een korte termijn nuttig, terwijl Wikipedia voor lange termijn interessant blijft. Ik vind het concept wel leuk, maar ergens ook een beetje vreemd en het gebrek aan transparantie laat bij mij toch een stevige portie wantrouwen opborrelen. Het is een fijne manier om het volk te betrekken in het nieuws, maar langs de andere kant lijkt het mij minder betrouwbaar omdat datzelfde volk ineens de kans krijgt om hun belangen te laten doorwegen. Ik weet niet of ik hierin te achterdochtig ben, maar ik begrijp in ieder geval waarom het nog geen mainstream gegeven is in België… Geef mij toch maar mijn vertrouwde destandaard.be!

Bronnen

http://onlinejournalismblog.com/2007/09/10/wiki-journalism-are-wikis-the-new-blogs http://blogs.telegraph.co.uk/technology/shanerichmond/january07/changeisinevitable.htm http://archive.pressthink.org/2006/06/27/ppl_frmr.html http://www.wired.com/techbiz/media/news/2007/07/assignment_zero_final?currentPage=all

Het wikken en wegen van wiki-journalism

Het era van de wiet-rokende oma’s

Traditionele kranten zijn al enkele jaren actief op het internet. Hoewel ik nog steeds papieren kranten verkies boven het online alternatief, betrap ik mezelf toch om vaker even destandaard.be te checken in plaats van langs De Kiosk te gaan. Voor de lezer is het gewoon handig. Even een app installeren en hup, je bent meteen mee met alles wat in de wereld gebeurd. Wachten tot de volgende ochtend om het nieuws te weten te komen is niet meer van deze tijd. Maar wat zijn de gevolgen hiervan voor de journalist?

Langs de kant van de lezer is deze evolutie dus positief, maar dat wilt niet zeggen dat men aan de andere kant van de inkt even tevreden is. Online journalistiek is een one-man-job (Choi, Weaver, & Willnat, 2013). Naast het schrijven van stukken, nemen online journalisten naast de pen (of eerder het klavier) ook de kodak en recorder in handen. Ze creëren blikvangers voor hun artikels via foto’s en filmpjes die ze zelf maken. Hun doel is om lezers naar hun sites lokken, en weg te houden van concurrenten, met aandachttrekkende versies van nieuwsitems. Daarbovenop moeten ze hun werk bijwerken per formaat (PC, tablet, smartphone,…). Een hele boterham.

Het is waar dat het internet ervoor gezorgd heeft dat informatie makkelijker te verzamelen is door het gestegen aanbod. Maar omdat dit voor alle kranten zo is, heeft dit als gevolg gehad dat het tempo van nieuws brengen ferm werd opgekrikt. Iedereen wil als eerste naar buiten komen met een verhaal. De druk die voortvloeit uit de combinatie tijdsdruk en de aspecten van de one-man-job gaat gepaard met stress, uitputting en burn-out (Deprez, & Raeymaeckers 2012).

De online competenties van productie en verwerking van tekst, beeld en geluid in berichtgevingen zijn minder problematisch voor jongere journalisten. Zij groeiden namelijk op als digitale natives en hebben bijgevolg deze competenties in hun bloed. Het aannemen van jongere werkkrachten zou dus een oplossing kunnen bieden voor de te hoge werkdruk, maar dat zou natuurlijk niet eerlijk zijn voor de anciens. Misschien zijn extra
bijscholingen voor deze laatsten de oplossing? De tijd terug draaien is in ieder geval geen optie…

is-print-dead
Bron: electronicsweekly.com


Hoewel interpretatie geen nieuwe gegeven is, wordt het toch naar een heel ander level gedragen dankzij de grote hoeveelheid ruw materiaal dat beschikbaar is voor online journalistiek. Interpretatie wordt inmiddels door journalisten ook gezien als een van de belangrijkste aspecten van hun job (Choi et al., 2013). Moeten journalisten dan niet meer objectief blijven? Neen. En dat zijn ze ook nooit geweest (newsflash!):

“Long ago most readers realized that the press is not objective. 
Absolute truth in the world cannot be attained without being 
distorted by human perception… The news media, however, continue 
to operate as though certainty were attainable. But truth cannot
be achieved in any absolute sense for the human mind cannot view 
reality independent of its own self-consciousness… readers must 
be made to understand that papers present stories based on the 
consensus judgments writers have arrived at, given the facts they 
have perceived.” 
– Sanoff, A. P. (American Society of Newspaper Editors, 1975)

Om de economische crisis te overleven, besloten enkele kranten samen te werken om kosten te beperken. Deze convergenties houden in dat redacties werden samengevoegd, waardoor vele jobs werden geschrapt en grote verschillen tussen kranten vervaagden. Doelen werden commerciëler om het hoofd boven water te houden waardoor professionele autonomie niet meer vanzelfsprekend werd (Choi et al., 2013). In Amerika zijn sinds de jaren ‘70 autonomie en jobtevredenheid twee handen op een buik (Weaver et al., 2007). Het vermogen zelf te kunnen beslissen welke verhalen te brengen en waar de nadruk op ligt, maakt dat journalisten hun job liever doen (Weaver et al., 2007). Desondanks worden topics nog vaak opgelegd en is het niet zo dat journalisten veel inbreng hebben over wat ze willen schrijven. Dit kan zorgen voor een barrière. Journalisten met veel talent worden zo niet opgemerkt omdat ze verplicht zijn zich te beperken tot opgelegde criteria (Choit et al., 2013). Dit kan eveneens leiden tot minder vertrouwen, trouwheid en kwaliteit in output (Myers, & Tietjen, 1998).

De commerciële doelen die voor ogen worden gehouden door redacties kunnen resulteren in opvallende nieuwsitems. ‘Opvallen’ is namelijk dé eigenschap om veel lezers te lokken. Onlangs kwam ik zo een ‘opvallend’ item tegen op de site van Het Laatste Nieuws. “Oma’s roken voor het eerst wiet en dit is het resultaat” luidde de titel. Het artikeltje ging eigenlijk over de legitimering van wiet als medicijn in de Amerikaanse staat Washington. In de plaats van de context en het waarom uit te leggen, besloot de journalist in kwestie een filmpje te plaatsen van oma’s die high worden voor een camera. Een niet alledaagse aanpak zou je het wel kunnen noemen. Het artikel werd achteraf gezien overgenomen van de Washington Post, maar toch vond onze Belgische journalist het ook een goed idee om deze kwestie zo aan te kaarten. Een hoog entertainment gehalte heeft het in ieder geval..

Langs de ene kant moeten we online content van nieuwssites dus met een korrel zout nemen. De journalisten in kwestie staan onder veel druk, waardoor onduidelijkheden en foutjes vergefelijk zijn volgens mij. Daarnaast zouden we kunnen zuchten bij commerciële topics zoals de wiet-rokende oma’s, maar we moeten hierbij wel beseffen dat veel mensen hier het entertainment gehalte van appreciëren waardoor het door zo’n topics is dat kranten kunnen overleven. Daarbovenop is het niet altijd de journalist die beslist waarover hij het heeft, aangezien hij vaak bevel krijgt van bovenaf. De discussie over het feit dat online journalistiek minder kwaliteitsvol zou zijn moet dus in een context geplaatst worden van werkdruk en overlevingsinstincten van kranten tijdens deze niet-evidente economische tijden.

Bronnen

Choi, J., Weaver, D. H., & Willnat, L. (2013). The Global Journalist in the Twenty-First Century. Journalism Practice, 7(2), 163-183.

Weaver, D. H. (2007). The American Journalist in the 21st Century: U.S. News People at the Dawn of a New Millennium. Mahwah: Lawrence Erlbaum.

Myers, R., & Tietjen, M. (1998). Motivatoin and Job Satisfaction. Management Decision, 36(4), 226-231.

Deprez, A., & Raeymaeckers, K. (2013). A Longitudinal Study of Job Satisfaction among Flemisch Professional Jourlists. Journalism and Mass Communication, 2(1). 1-15.

Het era van de wiet-rokende oma’s

(Hypocriete) Digital-Luddisten, laat jullie horen!

Ik ben een neo-Luddist. Jep, op dit vlak komen mijn grumpy-Britse roots aan het oppervlak. Het was waarschijnlijk al te merken aan mijn vorige berichten maar ik ben namelijk geen die hard fan van de grote ontwikkelingen van het internet de laatste jaren, integendeel. Facebook, Twitter, Instagram,… Voor mij hoeft het allemaal niet. Geef mij maar afspreken, bellen en foto’s printen. Volgens utopisten zijn deze ontwikkelingen daarentegen alleen maar positief in de zin dat er nieuwe manieren om collectief innovatief en creatief te zijn uit voortvloeien (Leadbeater, 2006). Maar volgens mijn bescheiden mening zitten zij er vlot naast. Vandaag eens lekker koken voor mezelf? Maar eerst nog een status-update over hoe gezellig het is in mijn keuken en een foto van het (iets te perfect gedresseerde) eindresultaat. Vanavond eens uit de bol gaan? Dan mag ik mij zeker niet vergeten inchecken op Swarm en foto’s nemen voor op Snapchat en Facebook. We zijn vandaag enkel nog met onszelf bezig voor anderen.

http://laughingsquid.com
Bron: http://laughingsquid.com

Ik ben een geboren en getogen digital native. Toen ik klein was ging mijn gezaag voor poppen of lego al snel over naar gezaag voor een gsm of laptop. Ik ben opgegroeid tijdens de revolutionaire ontwikkelingen op IT gebied en van het internet. Mijn grote broer was zelfs een van de eersten van ons dorp met een eigen computer. Hierover hoor je me niet klagen. Maar toen kwam de volgende ontwikkeling aan onze deur kloppen: Facebook. De cult van het digitaal narcisme (Andrew Keen, 2007) werd geboren. De overgang naar dit ‘interactieve’ internet 2.0 (Oreilly, 2004) heeft zijn voor- en nadelen. Maar aangezien ik me ondertussen al ge-out heb als neo-Luddist bespreek ik graag met jullie de laatstgenoemden, kwestie van mijn credibiliteit te waarborgen. Ik begin mijn uiteenzetting met enkele frappante voorbeelden:

Een tijdje geleden was ik met mijn mama gaan uiteten en aan het tafeltje naast ons zat een koppel. Romantisch zou je denken, maar dat was het niet. Zowel man als vrouw zaten met hun neus geplakt tegen het schermpje van hun iPhone. Het blauwwitte logo van Facebook was van beide schermpjes meteen op te merken.

Even later was ik met mijn vriend in Brugge. We sloten ons weekend af met een dinertje (nu lijkt het alsof ik constant op restaurant ga, wat niet het geval is – jammer genoeg) in een gezellig restaurant dicht bij het centrum. Achter ons zat een gezin met twee kinderen. Gezellig zou je denken, maar dat was het niet. De twee kinderen hadden elk een tablet in hun handen geklampt alsof hun leven ervan afhing en hebben de hele avond, zelfs toen hun eten geserveerd werd, zitten surfen op het net.

Jullie zouden kunnen denken ‘Jesus, Kirsty, stop nekeer met die mensen lastig te vallen’. Maar daar gaat het niet om. Ik doe helemaal niets. Ik observeer enkel hoe het er aan toe gaat tegenwoordig. Het internet en sociale media maken mensen asociaal en dom. Daar ben ik van overtuigd. De term ‘sociale media’ is dan ook heel ongelukkig gekozen. Nicholas Carr (2010) geeft me gelijk en schreef er zelfs een boek over. In ‘The Shallows’ bespreekt hij het feit dat de recente ontwikkelingen van het internet onze manier van denken negatief beïnvloeden:

… [T]he Internet encourages the rapid, distracted sampling of small bits of information from many sources. Its ethic is the ethic of the industrialist, an ethic of speed and efficiency, of optimized production and consumption — and now the Net is remaking us in its own image. We are becoming ever more adept at scanning and skimming, but what we are losing is our capacity for concentration, contemplation, and reflection.” – Nicholas Carr, 2010

Natuurlijk is het makkelijk voor een oude man die niet opgroeide met het fenomeen om zulke stellingen te maken. Het kan ook gewoon zijn dat hij heel conservatief is en graag terug zou gaan naar het postduif-era. Toch geef ik, als digital native, hem volledig gelijk. Maar om mezelf onder dezelfde noemer als hem te plaatsen, gaat misschien niet op. Bij deze introduceer ik een nieuwe term voor digital natives die neo-Luddist zijn: digital-Luddisten.

Naast dom, maakt het internet ons volgens mij ook asociaal. Om op niemands tenen te trappen, zal ik mezelf als voorbeeld aanhalen. Waaraan ga ik deze avond mijn tijd spenderen? Een artikel schrijven dat ik straks het internet instuur. Welke voldoening haal ik daar uit? Inderdaad, ik heb mijn frustraties en gedachten op papier gezet wat kan opluchten. Maar is een cocktail gaan drinken in de Entreprise met mijn vrienden geen betere manier om uit te blazen? Omdat we zo gewend zijn aan onze fictieve sociale netwerken, vergeten we soms hoe het ervoor was. De tijd waar ‘posten’ nog betekende dat je een brief in de brievenbus stak. Elkaar bellen (via een telefoon, ja die bestaan ook nog) om af te spreken gebeurt veel minder dankzij het ‘contact’ dat we hebben met onze ‘friends’ via het internet. Het wordt tijd dat we een stap terug zetten.

Voor ik het verkeerde beeld geef, moet ik er wel bij zeggen dat ik zelf ook schuldig ben aan deze giftige verslaving van mijn tijdgenoten. Heel even had ik het deelwoord ‘geweest’ achter de persoonsvorm willen plaatsen in de vorige zin, maar ik moet eerlijk zijn met mezelf. Soms maak ik ook de gebruikelijke selfie (zie introductie), Check-in of Snapchat. Daarom geef ik mezelf de titel van Hypocriete Digital-Luddist (HDL). Dit is toch al een stap in de juiste richting.

Het wordt tijd dat we gezamenlijk stil beginnen staan bij de grote hoeveelheid tijd die we (jep, ik ook) steken in deze asociale media en het internet. Tijd die we veel beter kunnen gebruiken om persoonlijk contact te hebben met echte vrienden op echte plaatsen. Of nog beter: tijd die we kunnen gebruiken voor onszelf, niet voor anderen. Het is inderdaad moeilijk om af te kicken, aangezien veel afspraken worden gemaakt via Facebook, zoals welke artikels we voor een bepaald vak wel of niet moeten kennen bijvoorbeeld. Onmisbare informatie dus. Daarom roep ik op tot een collectieve en permanente Fexit en Twexit en een heuse heropleving van het persoonlijke contact. Checken jullie jullie messages voor de link naar de doodle?

Bronnen

http://theshallowsbook.com

http://conferences.oreillynet.com/web2con/

Keen, A. (2007). The Cult of The Amateur. Doubleday: United States

Leadbeater, C. (2003). We-think: mass innovation, not mass production. Profile Books: United Kingdom

(Hypocriete) Digital-Luddisten, laat jullie horen!

Roekeloos ‘ik-deel-het-met-de-wereld’-gedrag

Dat media over de jaren geëvolueerd zijn, zou je normaal gezien al opgevallen moeten zijn. Voor zij die het niet door hebben: alles is meer toegankelijker en interactiever dan ooit. Zowel producent als consument zijn hierin mee geëvolueerd. Of zijn de media net geëvolueerd dankzij de veranderde producent en consument? Deze ‘wat was er eerst de kip of het ei’-kwestie laat ik voorlopig in het midden. Wat me vandaag relevanter lijkt is de vraag hoe wij met deze evolutie omgaan.

Consumenten zijn deels producenten geworden. Ze stampen dagelijks verschillende creaties uit de grond en voelen zich de Goden van de hemel: het Internet. Maar bij het statuut ‘God’ horen ook Goddelijke verantwoordelijkheden. Deze verantwoordelijkheden zijn voor producenten geen geheim, maar blijken voor consumenten die zich vermommen als producent niet altijd even duidelijk. Het ene filmpje na het andere wordt op het grote Net gezwierd, zonder stil te staan bij eventuele affreuze consequenties. Als fervent Dr. Phil liefhebber heb ik al meerdere verhalen verteerd van mensen wiens leven fucked up is dankzij roekeloos ‘ik-deel-het-met-de-wereld’-gedrag.

Het is niet nodig om met je ogen te rollen omdat ik Dr. Phil als voorbeeld aanhaalde. Inderdaad, ‘mensen helpen’ zal niet de enige drijfveer zijn voor zijn show én enkele (misschien wel alle…) verhalen zullen op overdramatische wijze geframed worden. Ver van ons bed is Amerika in ieder geval. Maar voorbeelden in België zijn er jammer genoeg ook, zoals de getuigenis van Stijn in Humo vorige week over sextortion. Hoewel ik het zeer belangrijk vind dat zulke onderwerpen media-aandacht krijgen, ga ik hier verder liever niet op in. Jullie zijn dit allemaal aan het lezen, en hebben dus allemaal internettoegang. Laat jullie gaan. Zo kan ik mijn blog lichtmoedig houden.

De kant van de producent is net zoals die van de consument ook helemaal anders dan tientallen jaren geleden. Waar voorheen een onpartijdige gesloten ethiek heerste wordt nu op gedwongen wijze plaats geruimd voor een open ethiek. Bij deze laatstgenoemde soort ethiek worden grenzen tussen redactionele inhoud en advertenties vaak verbloemd. Laten we de advertenties van Delhaize als voorbeeld nemen. Jeroen De Pauw neemt ons mee in een verhaal gevuld met o.a. de meest verse wulpse groenten en onweerstaanbare broden van Delhaize. Voor we het weten worden we opgezogen in het verhaal, waardoor overtuigingskrachten van de sluwe reclameachtergrond onopgemerkt tot ons doordringen. We worden overtuigd zonder het te merken. Hoor ik daar de term ‘brainwash’ opduiken in de verte? Mmja. Bij het gebruik van narratieven, wat het geval is bij infomercials, worden kijkers als het ware opgezogen in het verhaal (“getransporteerd”). Wanneer dit gebeurt, zullen ze minder kritisch zijn en vervolgens de reclameboodschap makkelijker slikken (Chang, 2009).

Boodschappen worden dus minder objectief doorgespeeld dan vroeger, en hebben een grotere invloed op attitudes en gedrag van ontvangers. Zowel producenten als consumenten moeten zich bewust worden van de gevolgen van informatie die ze de wereld in sturen, aangezien deze hééééééééél veel mensen bereikt en achteraf niet meer wisbaar is.

Ik heb bij deze enkele voorstellen voor nieuwe ‘regeltjes’ zodat het spel van informatiewisseling eerlijk gespeeld kan worden:

  • Objectiviteit is geen must (we kunnen de klok onmogelijk terugdraaien, en meningen zijn ook belangrijk) maar er moet nog explicieter aangegeven worden door de producent wanneer boodschappen subjectief zijn.
  • Bij het uploaden van filmpjes en foto’s op het internet wordt een tag toegevoegd van al je gegevens via een identiteitskaartlezer. Hierdoor zullen mensen twee keer nadenken voor ze iets uploaden, aangezien de eventuele gevolgen rechtstreeks op hun schouders terecht zullen komen. Zonder de scan van je identiteitskaart (die gekoppeld is aan je IP adres) is uploaden van informatie onmogelijk.

Hier en daar een bondige richtlijn invoeren moet kunnen. Hierdoor moeten mensen de nare gevolgen van het internet niet meer al doende leren kennen, maar kunnen ze deze voorkomen. Deze regels moeten uiteraard ook niet té strikt zijn. Geschiedenislessen halen genoeg voorbeelden aan van hoe mensen reageren op bureaucratisering.

40c48c029ecb01a0c73e8d754b7bea62
Bron: memeblender.com

 

DIT BERICHT IS SUBJECTIEF, gelieve hier rekening mee te houden.

 

Bronnen

Chang, C. (2009). Being hooked’ by editorial content. Journal of Advertising, 38(1), 21‐33.

Roekeloos ‘ik-deel-het-met-de-wereld’-gedrag

Wat zou jij doen als Gabriël Rios voor je neus stond?

Het publiek heeft altijd al meningen gehad. Eerst waren het voornamelijk mannen die hun stem mochten laten horen, erna ook vrouwen. Eerst bleef deze uitwisseling van gedachten beperkt tot de keukentafel, nu kan het publiek beslissen ze te delen met de hele wereld. Anywhere, Anytime.  Wat heeft dit als gevolg voor de journalist? En misschien nog belangrijker: wat is het gevolg hiervan op het publiek? Als ik het onderscheid journalist-publiek nog mag maken alleszins…

De dik ingeburgerde ‘sociale’ media (sociale tussen aanhalingstekens omdat ik van mening ben dat ze ons enkel asocialer maken) maken het mogelijk voor de bevolking om nieuws overvloedig te verspreiden en te becommentariëren. De lineaire relatie publiek-journalist van het old-school-journalisme-tijdperk is niet meer. Ondertussen moet de journalist constant rekening houden met zijn publiek bij berichtgevingen, aangezien deze laatste op publieke wijze terug kan bijten wanneer de journalist iets durft te publiceren wat botst met de mainstream mening. Het gaat zelfs verder dan dat: soms neemt het publiek de berichtgeving in eigen handen. Nu dat bijna iedereen over een smartphone beschikt, heeft dit fenomeen ondertussen een ongeziene omvang (Blaagaard, 2013).

Gabriel riosBron: instagram.com/stubru

Bovenstaande foto toont een typisch scenario van de reactie op een nieuwswaardige gebeurtenis. Heften worden op heldhaftige wijze in eigen handen genomen. Er wordt hartstochtig gefotografeerd, gefilmd, getwitterd, gefacebookt, geïnstagramd,… Terwijl Gabriël Rios – een adembenemend getalenteerd man – voor hun neus staat, verkiest 99% van het publiek om in de plaats van het zicht (en geluid) te genieten, hun smartphones boven te halen en de unieke gebeurtenis te registreren en delen met al hun ‘friends’ of ‘followers’. Ironisch. Rusteloos.

Het publiek is zijn eigen journalist geworden. Heeft het dan nog zin om journalistiek te studeren? Dé vraag die op ieders (en vooral die van mijn ouders) lippen brandt: Zou ik er niet beter mee ophouden nu dat alle gebeurtenissen al op Twitter verschijnen nog voor ze gebeurd zijn? Ja het is waar dat journalisten nog nodig zijn om de hoofdzaken te destilleren uit de overvloedige kwantiteit aan nieuwtjes en diepgang moeten creëren in berichtgevingen… Daar ga ik in mijn volgende berichten nog dieper op in. Maar ik – als journalist in spe – voel me vooral genoodzaakt mensen hun rust terug te geven. Hierdoor kunnen mensen de volgende keer dat Gabriël Rios voor hun neus staat écht genieten van het moment, in de plaats van zich genoodzaakt te voelen om een scherm boven te halen. Laat dat getweet en gefacebook voortaan maar aan de journalisten over.

Graag gedaan.

Bronnen

Blaagaard, B. (2013). Shifting Boundaries: Objectivity, citizen journalism and tomorrow’s journalists. Journalism, 14(8), 1076-1090.

Wat zou jij doen als Gabriël Rios voor je neus stond?