“In the Age of Too Much Information, it seems absurd to argue that the supply of quality news is running low, but it is.” – Abramson, 2010

Het schrijven van deze blogs heeft voor mij vooral één ding glashelder gemaakt. Ofwel heb je kwantiteit, ofwel heb je kwaliteit. Beiden gaan jammer genoeg niet samen. Dat heb ik via deze opdracht al doende geleerd. Er werd zoveel druk uitgeoefend op kwantiteit waardoor ik soms zelfs beschaamd was toen ik op de ‘publiceer’ knop klikte. Ik ben m.a.w. zeer tevreden over het aantal artikels dat ik heb kunnen neerpennen, maar niet altijd even tevreden over het niveau van de inhoud. Als ik zou kunnen kiezen had ik liever een paar écht heel goede stukken geschreven, in de plaats van deze geforceerde 12. Maar in de praktijk is het jammer genoeg ook het geval dat niet altijd de keuze bestaat tussen kwantiteit en kwaliteit. Het leren leven met de schaamte is de enige manier om van een stuk over te gaan naar het volgende. Bij dezen een verklaring voor het soms wat gematigde niveau van deze blogs. Ik stond net op het punt om ‘mijn oprechte excuses’ te schrijven, maar eigenlijk hoef ik mij hier helemaal niet voor te verontschuldigen. Dit was mijn eerste stap in het leerproces van schrijven onder druk, en ik blunder liever nu eens grondig dan volgend jaar te moeten voelen hoe het is om te blunderen voor een werkgever. Dus bij dezen excuseer ik mij dat ik mij niet excuseer.

Hoewel het vaak wordt gezien als één van de zovele evenwaardige discussiepunten, vind ik de discussie rond de kwaliteit van journalistiek los het belangrijkst. Daar draait het toch ook om? Het is het belangrijkst om te focussen op de uiteindelijke kwaliteit van journalistieke stukken – onafhankelijk van hun afkomst – dan te kibbelen over waar we de grens trekken tussen mensen die de titel ‘journalist’ of ‘burgerjournalist’ verdienen en hoe die elkaar ‘bedreigen’ (Abramson, 2010). Om deze titeldiscussie af te ronden, wil ik graag nog mijn finale bedenking meegeven. Volgens mij bestaat die grens eigenlijk niet. Volgens mij is burgerjournalistiek het opstapje naar ‘professionele’ journalistiek. Hierdoor vormt het geen ‘bedreiging’ voor de ‘professionele’ journalistiek, maar is het gewoon een soort van bachelor voor de master. Wanneer we het hebben over User Generated Content (UGC), spreken we volgens mij over nog iets anders dan burgerjournalistiek. Bijdragen van lezers vormen een soort complement, een hulpmiddel voor journalisten: scoops, foto’s, filmpjes,… allerlei zaken waarop de journalist kan verder werken. Volgens mij is er dus geen sprake van een conflict, maar moet er gesproken worden van een dynamisch systeem. Zo zie ik het, in ieder geval.

De klok terugdraaien zal helaas niet lukken. Er wordt geen geld meer gepompt in kwaliteitsvolle journalistiek, terwijl er vaak wordt gegrepen naar ongecheckte bronnen en goedkoop online nieuws om te overleven. Ondanks de opkomst van veelbelovende online nieuwsbronnen, werd de put die achtergelaten werd door het wegnemen van de kwaliteit van traditioneel nieuws nog niet overbrugd. Pay-walls en convergenties namen reeds plaats om terug wat inkomsten bijeen te scharrelen om diepgaand nieuws te kunnen brengen. Hoe graag ik de papieren krant ook wil zien gelezen worden door mijn kinderen later, vrees ik dat de toekomst van de krant er heel anders zal uit zien dan toen ik klein was. Het is vreemd om als Digital Native zo conservatief te zijn, maar onze generatie heeft ‘het vroegere’ ook gekend. De tijd waar computers nog lompe bakken waren met enkel Paint en Word op geïnstalleerd. De tijd waar computers minder populair waren dan papier.

Geloof het of niet, maar ik denk terug aan die tijden als ‘the good old times’. Helaas zal er geen terugkeer mogelijk zijn naar die ‘good old times’ en ziet de toekomst van de papieren krant er niet rooskleurig uit. Alles zal gedigitaliseerd worden. Toch maak ik die opoffering graag, als dat inhoudt dat journalistiek zijn kwaliteit terug zal kunnen opkrikken. Wanneer er geen conflict meer is tussen traditionele en nieuwe media, omdat traditionele media de grote evolutie hebben gemaakt naar een digitale versie, durf ik er van uit te gaan dat de meerderheid toch naar het kwalitatiefste nieuws zal zoeken. Mensen verlangen naar betrouwbaar, nagetrokken, gesorteerd en diepzinnig nieuws (Abramson, 2010). Dat is de reden waarom ik geloof dat na verloop van de tijd kwaliteit de overhand zal nemen van kwantiteit.

Als beginnend journalist ga ik er ook naar streven om kwaliteitsvolle stukken af te leveren. Nu ben ik akkoord gegaan om 12 stukken te schrijven, omdat ik het zag als een test, en het bepalend was of ik al dan niet mijn diploma zal halen dit jaar… In de komende jaren, ga ik mijn best doen om niet altijd ja te knikken wanneer ik een opdracht krijg. Soms moet het volgens mij kunnen om nee te zeggen, als dit resulteert in een hogere kwaliteit. Ofwel moet er een verdere selectie gemaakt worden van de verschillende onderwerpen, ofwel wordt het doorgeschoven naar een andere journalist. Hoe dan ook, soms is het beter om minder te doen. Hierdoor bekom je in zoveel verschillende manieren meer. Minder kwantiteit = meer kwaliteit.

Bron: http://laracasey.com/wp-content/uploads/2013/05/photo-copy.jpg
Bron: http://laracasey.com/wp-content/uploads/2013/05/photo-copy.jpg

 

Bronnen

Abramson, J. (2010). Sustaining quality journalism. Daedalus, 139(2), 39-44

Advertenties
“In the Age of Too Much Information, it seems absurd to argue that the supply of quality news is running low, but it is.” – Abramson, 2010

Abracadabra

Toen me gevraagd werd om te schrijven over de trends van de journalistiek in 2015, moest ik eerst even gniffelen. Ik moet met andere woorden voorspellen wat er volgend jaar zal gebeuren. Niet de dingen die zouden kunnen gebeuren, maar de zaken die consistent zullen voorkomen in de vorm van een trend. Tsjonge, wat een opdracht. Vergelijkbaar is de ‘voorspelling’ van modetrends van de komende seizoenen. Van voorspellen is volgens mij helemaal geen sprake. Ik zie het eerder als een self-fulfilling prophecy. Mensen zullen namelijk enkel massaal zwarte laarzen kopen wanneer dit wordt aangekondigd als ‘dé trend van komende winter’ in het recentste Vogue-nummer. Of ze zwarte laarzen mooi vinden, is bijzaak.

Bron: http://livequestionsdotorg.files.wordpress.com/2014/10/the-future.jpg
Bron: http://livequestionsdotorg.files.wordpress.com/2014/10/the-future.jpg

Genoeg cynisme voor één blogpost. Ik zal oprecht mijn best doen om aan de hand van een gastcollege en wat bijeengesprokkelde literatuur mijn steentje bij te dragen tot deze misleidende hekserij. Maar sta mij dan op z’n minst toe om de woordkeuze ‘dé trends van 2015’ te veranderen naar ‘mijn persoonlijke visie op de journalistiek in 2015’. Ik zal de volgens mij waarschijnlijkste evoluties bespreken waar Frank De Graeve van overtuigd is.

Hoewel nieuwe media al vaak werden aangekondigd als bedreigend voor traditionele media, hoeven deze laatsten zich geen zorgen te maken. Mensen blijven terug grijpen naar kranten en televisie. Althans, nu toch nog. Wanneer enkel de generatie over blijft die opgroeide met tablets, vrees ik dat dat liedje op z’n eind zal komen. Maar voorlopig blijven ook aan de productiezijde journalisten zich vastklampen aan traditionele waarden. Dit doen ze zelfs meer dan bij andere jobs die met innovaties te maken krijgen dankzij dit digitale tijdperk. Journalisten hebben namelijk een belangrijk ethisch component in hun taakomschrijving: ze moeten er naar streven om correct te zijn in hun berichtgevingen. Hiervoor is transparantie nodig. De manier van berichtgeven bij nieuwe media gebeurt niet altijd even transparant, waardoor het sterk vloekt met de deontologie van traditionele media. Hierdoor staan sommige professionele journalisten sceptisch tegenover de opkomst van nieuwe media als populairste nieuwsbron. Hoe dan ook wint deze laatste wel aan populariteit, wat ten koste gaat aan traditionele media. Zelfs de conservatiefste journalisten worden hierdoor gedwongen het pad te nemen richting nieuwe media. Door frequente activiteit op sociale media kunnen ze zelfs de term ‘bekende journalist’ opgeplakt krijgen. Er is wel een gigantisch probleem: duidelijke richtlijnen voor journalisten die omgaan met nieuwe media blijven uit.

Ondanks het ontbreken van eenduidige richtlijnen is er een opmars van het zogeheten ‘journalistiek en plein public’. Dit houdt o.a. in dat interviews steeds minder face to face gebeuren en steeds meer op het wereldwijde web. In 2012 kondigde Frank De Graeve deze ‘nieuwe’ trend ook al aan, wat nog maar eens wijst op het feit dat er niet zoiets bestaat als een voorspelling van hoe de journalistiek er volgend jaar uit zal zien – maar dit ter zijde. Wanneer een geïnterviewde via een Twitterinterview onder vuur wordt genomen (of in deze context eerder: gegooid) kan hij vragen en antwoorden minder makkelijk ontwijken aangezien miljoenen anderen naast de interviewer hem op de vingers kunnen tikken. Dit soort interview gebeurt dus in het publieke domein, waardoor iedereen zich er in kan vermengen. Een Tweet van een buitenstaander weegt immers even zwaar door als een Tweet van een betrokkene. Hierin schuilt wel het gevaar om snel af te wijken van het onderwerp in kwestie…

Discretie en de wet van de luidste vallen op deze manier weg. Persoonlijk vind ik dit een onethische manier om tot informatie te komen. Het wijst op een vorm van respectloosheid, omdat je de geïnterviewde als het ware dwingt om te antwoorden. Dit is deontologisch niet correct. Een eventuele richtlijn in dit opzicht zou kunnen zijn dat je enkel en plein public mag interviewen wanneer het niet om delicate zaken gaat. Ananny en Kreiss (2011) opteren voor richtlijnen die vanuit de overheid worden gecontroleerd op vlak van transparantie, betrouwbaarheid, dialogen en samenwerking. Hierdoor zouden de ethiek en kwaliteit van publieke journalistiek aan de professionele normen blijven beantwoorden.

Naast de opkomst van publieke journalistiek zou de sfeer rond deadlines veranderen. Sommige auteurs zijn ervan overtuigd dat deadlines vasthangen aan de publicatie van een medium. Artikels die in een krant moeten verschijnen, dienen ingeleverd te worden om op tijd afgedrukt te worden. Met de opkomst van nieuwe media bestaat er niet meer zo iets als een deadline voor het verzenden van je stuk naar de drukkerij. Deadlines vallen hierdoor zogezegd weg, aangezien alles gewoon wordt gepubliceerd via de klik van een muis wanneer het klaar is volgens de journalist. Maar hier ga ik niet mee akkoord. Door deze gemakzuchtige publicatiewijze zijn deadlines net strakker geworden. Iedereen is in staat om te publiceren, dus jij moet zorgen dat je de blikvanger bent door je bericht zo snel en volledig mogelijk online te zwieren. Hieruit vloeit het “around the clock” nieuws voort dat bestaat uit constant geupdated nieuwsberichten. Berichten worden zo snel mogelijk gepubliceerd, waarna ze meerdere keren per dag worden bijgewerkt (Kostas, 2012). Wat je een uur geleden las, kan intussen al veranderd zijn. Dit kan voor de lezer geïnterpreteerd worden als zeer vermoeiend. Waarom telkens je bericht updaten terwijl je even goed even kan wachten om zo eenmalig de correct informatie te delen? Langs de andere kant is de lezer hierdoor meteen op de hoogte over de grote lijnen van een nieuwsgebeuren, die later worden bijgevuld met details.

Door de strakke deadlines hebben media vaak niet de keuze om hun nieuws uit te stellen tot alle details bekend zijn. Als ze dit altijd deden, zouden andere media hun lezers afsnoepen. Het ongekende tempo waarmee nieuws de wereld wordt ingestuurd is ongezien. Elk medium wilt als eerste met iets afkomen, waardoor vaak onbevestigde elementen terug te vinden zijn in de berichtgevingen. Dit wordt meer en meer aangeduid met ‘hasthag unconfirmed’. Ik vind jammer genoeg niet dat deze aanduiding het oké maakt om incorrecte feiten mee te geven. De feiten zullen snel de ronde doen, zonder dat er telkens wordt bij verteld ‘ja maar het is nog niet helemaal zeker’. Zeker wanneer het om sappige feitjes gaat, gaan mensen er toch van uit gaan dat er een notie van waarheid in zit. Het komt er dus op aan dat journalisten – hoe hoog de tijdsdruk ook is – hun bronnen toch eerst grondig moeten checken en geen informatie delen met een luttele hashtag als verdedigingsmechanisme. Het internet bestaat ondertussen uit een soep van stemmen. Het is de taak van de journalist om betrouwbaar te zijn (Palser, 2004). Betrouwbaarheid en volledigheid – via zogenaamde ‘waarom-artikels’ die actuele zaken uitdiepen – is volgens mij de enige manier waardoor traditionele media staande kunnen blijven.

 

Bronnen

Ananny, M., & Kreiss, D. (2011). A new contract for the press: Copyright, public domain journalism, and self-governance in a digital age. Critical Studies in Media Communication, 28(4), 314-333

Kostas, S. (2012). Breaking News Online. Journalism Practice, 6(5/6), 702-710.

Palser, B. (2004). Checking it out: news organizations need te bo more careful in handling inflammatory stories based on unconfirmed Internet sources. American Journalism Review, 26(5), 100

Abracadabra

“93-jarige Kirsty is dé ouderwetse oma”

Ik ging in Sterrebeek jaren lang naar de muziekschool. Enkele zomers geleden werd deze met de vloer gelijk gemaakt om er een tehuis te bouwen. Need I say more over onze Belgische situatie? Didn’t think so. Wanneer we het hebben over onderstaand digitale putje, moeten we in België extra stil staan bij de vergrijzing van ons kleine landje. Mijn oma heeft bijvoorbeeld geen computer, laat staan een internetverbinding. Enkele kersten geleden kreeg ze van ons een gsm, waar ze vandaag nog steeds niets van snapt. Wat haar ongelooflijk schattig maakt, natuurlijk. Ik kan me met gemak voorstellen dat andere oma’s en opa’s in dezelfde situatie zitten van digitale onbekwaamheid.

Hoewel de Europese Unie staat voor inclusie van al zijn leden, heeft hij er niet aan gedacht wat hij moest aanvangen met al die oudjes als het aankomt op internettoegang… Ouderen kunnen namelijk niet e-participeren dankzij deze nalatigheid. Hoewel ik denk dat mijn oma zich daar niets van aantrekt en zich liever bezig houdt met haar moestuin (groot gelijk heeft ze), bestempelen sommige auteurs (D’Amico, De Hert, Mantovani, Mordini, Thestrup, Van Steendam, Vater, Wadhwa, & Wright, 2009) deze situatie op dramatische wijze als “ethisch incorrect”.

Laten we even inzoomen op de argumenten van deze auteurs voor ik hen volledig afkraak. Toegang tot ICT zou de rol van ouderen in de familie bevorderen. Iedereen is tegenwoordig heel actief op sociale media (soms zelfs actiever dan in hun offline leventje) en communiceert via Whatsapp, sms of mail. Wanneer ouderen dit niet kunnen, zijn ze bijgevolg niet meer op de hoogte van wat er speelt bij nonkel Jos en de rest van de familie. Daarnaast vinden oudjes de beperkte (of onbestaande) toegang een vorm van uitsluiting, wat strijdig is met de wet. Elke breuk met de wet zou er vervolgens voor zorgen dat mensen minder vertrouwen hebben in het justitiesysteem. Bij inclusie hebben ouderen meer vertrouwen in het justitiesysteem waardoor ze zich veiliger voelen in publieke instituties. Daarnaast verwachten ouderen blijkbaar dat zij net zoals de rest van de bevolking hun eerlijke aandeel moeten krijgen in publieke goederen, waaronder digitale technologieën vallen. Wanneer dit niet gebeurt, daalt het geloof in de democratie. Deze kleinkinderen wouden hun oma besparen van alle netgenoemde negatieve gevolgen en gaven hun 93 jarige oma een tablet cadeau:

———————————————————————————————————————————–

93-jarige Jozefien is dé digitale oma

 Print

93-jarige Jozefien is dé digitale oma
Jozefien Peeters wordt in de bloemen gezet. Foto: Mia Uydens 

Bron: http://www.gva.be/cnt/dmf20140724_01189901/93-jarige-jozefien-is-de-digitale-oma

————————————————————————————————————————————

Ondanks deze onthutsende conclusies kan ik me best voorstellen dat ouderen hier helemaal niet bij stilstaan. Ik weet niet of ik de enige ben, maar eigenlijk kijk ik stiekem een beetje uit naar de tijd waar ik enkel taarten moet bakken en groenten moet planten. Ik had altijd in gedachte dat ik een gelukzalige rustige leventje zonder internet zou hebben nadat ik mij jarenlang kapotgewerkt heb. Met ‘rustig leventje’ refereer ik naar een leven zonder vragen als “Waarom stuur je pas een dag later een smsje terug?” of “Waarom check je je Facebook niet dagelijks?”. Maar bovenstaande auteurs willen net dat oma’s vastgeklampt raken aan tablets en de snelste internetverbinding in huis halen?! No way! Daar doe ik niet aan mee!

Ik begrijp goed dat er theoriën bestaan over wat aan de basis ligt van het digitale putje, maar is het echt nodig om die in de praktijk te dichten? Kunnen we het niet gewoon zo laten? Zoals ik in eerdere blogs al duidelijk maakte, heb ik het niet zo voor het rusteloze karakter van het internet. Ik snap het punt dat ouderen niet als eerste meer weten wat met hun familie gaande is als ze niet tijdig een Facebook profiel aanmaken, maar is dat wel nodig? Kan dit niet gewoon over een stuk taart en iets te straffe koffie op een zondagnamiddag? Het is duidelijk dat ik van mening ben dat sociale media ons intussen asociaal hebben gemaakt, maar we gaan toch heus niet onze grootouders vergeten bellen (via de vaste lijn!) als er iets gebeurt? Ik hoef later van mijn kleinkinderen geen tablet. Laat mij maar een ouderwetse oma zijn. Geef mij voor Kerst maar een bakvorm of breinaalden!

Banksy-graffiti-grannies
Bron: Banksy

 

Bronnen

D’Amico, A., De Hert, P., Mantovani, E., Mordini, E., Thestrup, J., Van Steendam, G., Vater, I., Wadhwa, K., & Wright, D. (2009). Senior citizens and the ethics of e-inclusion. Ethics Information Technology, 11, 203-220

“93-jarige Kirsty is dé ouderwetse oma”

“Technology is not like anchovies, which some people can love and others hate…” – Shapiro, 1999

De digitale kloof, of als ik fancy wil doen: the digital divide, houdt vanzelfsprekend in dat er een scheiding bestaat tussen zij die toegang hebben tot ‘nieuwe’ informatietechnologieën (IT) en zij die die niet hebben. De term gaat al een tijdje mee en mag wel wat afgestoft worden. We zijn tenslotte al eind 2014! Sta mij toe mijn steentje bij te dragen tot het opfrissen van deze middeleeuwse term.

Bovenstaande utopische definitie van de digitale kloof moet volgens mij genuanceerd worden. Er mag namelijk niet vanuit gegaan worden dat toegang universeel door bepaalde omstandigheden wordt bepaald. Deze nuance wordt vaak over het hoofd gezien, waardoor kritiek op de digitale kloof beperkt is. Gelukkig ben ik in de plaats van een ja-knikker een eeuwige twijfelaar en heb ik er geen problemen mee om vastgeroeste theorieën aan de tand te voelen. Ik wil hiermee niet zeggen dat ik tégen de term ben, of ervan uitga dat we het hier hebben over een mythe. Ik wil enkel bovenstaande nuancering wat meer ondersteunen aan de hand van het artikel van Gunkel (2003).

Ten eerste wordt de term toegepast in verschillende contexten door verschillende auteurs. Desondanks is er een rode draad die telkens terug te vinden is: er wordt altijd een onderscheid gemaakt tussen twee tegengestelden. Zij die toegang hebben tot IT vs. zij die die niet hebben (NTIA, 1999). Zij die technologie kunnen gebruiken vs. zij die dit niet kunnen (The Benton Foundation, 2001). Zij die een liefde hebben voor digitale technogolie (techno-utopians) vs zij die er negatief tegenover staan (techno-sytopians) (Harmon, 1996). Desondanks deze nuanceringen hebben de auteurs het over een fenomeen dat zich afspeelt in de digitale omgeving met een binaire logica, waarbij de ene kant positief wordt bevonden en de andere negatief. Deze overdreven simplistische voorstelling komt, helaas voor de breinen erachter, niet altijd overeen met zijn complexe referent (Chandler, 1994). Het stelsel van twee categorieën, die op drastische wijze gescheiden zijn van elkaar, zou beter vervangen worden door een continuüm (Warschauer, 2001). We spreken dus beter niet van een onoverkomelijke kloof, maar eerder van een putje, waar sommigen wat meer moeite hebben om over te geraken dan anderen. De sociale omgeving waarin we leven beïnvloedt de breedte en diepte van het putje. De sociale omstandigheden zijn in België bijvoorbeeld heel anders dan in Tanzania, wat maakt dat Belgen meer toegang hebben tot informatietechnologieën.

Nu het probleem uiteengezet is, is de tijd gekomen om de term en bijhorende definitie op te blinken en het uitsluitende onderscheid tussen 0 en 1 achter ons te laten. We gaan over van een great divide theory naar een continuity theory (Chandler, 1994). Mensen kunnen zich voortaan plaatsen over een hele rij van mogelijkheden, in de plaats van zich te forceren in de discriminerende hokjes van ‘wel toegang’ en ‘geen toegang’. Mooi is dat. Warschauer stelt in dit opzicht voor om te spreken over een stratificatie in de plaats van een kloof. Maar ik vind dat stratificatie nog steeds te veel hokjesdenkwerk is.

Ik zou de situatie omschrijven als een skilift. Het dal onder de skilift is het digitale putje. Wanneer je op een skilift stapt valt hij soms wel eens stil, dat bepaalt dan je huidige sociale situatie die gelinkt is met een bepaalde digitale situatie. Maar soms beweegt de skilift verder, waardoor je sociale situatie iets moderner kan worden en je meer toegang hebt tot informatietechnologieën. Wanneer je blijft zitten op een skilift kan je ook weer naar beneden gaan, wat inhoudt dat je sociale situatie op momenten traditioneler kan worden, waardoor de moderne digitale omgeving iets minder bereikbaar is. Wat ik hiermee wil zeggen is dat er geen vaste hokjes zijn waarin we ons bevinden. De situatie kan veranderen naargelang het moment in je leven of de plaats waar je je bevindt. Er is volgens mij geen situatie per se beter dan de andere (hou er rekening mee dat ik een Hypocriete Neo-Luddist ben), aangezien deze steeds kan evolueren.

Bron: www.wallpaper2020.com
Bron: http://www.wallpaper2020.com

 

Bronnen

Benton Foundation (2001). Digital Divide Network. URL:    http://www.digitaldividenetwork.org

Chandler, D. (1994). Biases of the Ear and Eye: Great Divide Theories, Phonocentrism, Graphocentrism, and Logocentrism. URL:           http://www.aber.ac.uk/media/Documents/litoral/litoral.html

Harmon, A. (1996). Daily Life’s Digital Divide. Los Angeles Times, 3 juli.

National Telecommunications and Information Administration (1999). Falling Through the Net: Defining the Digital Divide. Washington, DC: US Department of Commerce.

Shapiro, A. L. (1999). The Control Revolution: How the Internet Is Putting      Individuals in Charge and Changing the World We Know. New York: Century Foudnation Books.

Warschauer, M. (2001). What is the Digital Divide?. URL: http://www.gse.uci.edu/markw

In

Gunkel, D. J. (2003). Second Thougts: Toward a Critique of the Digital Divide.  New Media Society, 5(4), 499-522.

“Technology is not like anchovies, which some people can love and others hate…” – Shapiro, 1999

“Click here to save the world” = lui?

De online activiteit die besproken werd in mijn vorige blog kan vrij passief overkomen. Deze acties heeft men intussen bestempeld met de (lelijke) term slacktivism, wat slaat op volgende quote:

"Political activities that have no impact on real-life political 
outcomes, but only serve to increase the feel-good factor 
of the participants" - Morozov, 2009

Volgens sommige auteurs slaan online discussies terug op het feit dat ze online zullen blijven en geen enkele invloed zullen hebben op het echte (offline) leven. Er is inderdaad op sommige plaatsen nog een shift nodig van e-mobilisatie naar wat sociale bewegingen offline willen bereiken: rekrutering, organisatie en het voeren van een succesvolle campagne. Maar in sommige landen is dit al het geval! Een schrijnend voorbeeld hiervan is Iran, die een intense blogosfeer creërde die offline ook voor ophef zorgde. Sancties en censuur volgden al snel, maar één ding is duidelijk: de e-invloed (als we dan toch bezig zijn met voor elk woord dat met het internet te maken heeft een ‘e-’ te plakken) werd gevoeld!

De toegang tot het internet is goedkoop en gemakkelijk. Dit samen met de nauwe banden die gecreëerd worden tussen de bloggers onderling, zijn enkele voornaamste redenen waarom transitielanden zich zo aangetrokken voelen tot de cyberspace. En belangrijkst van al: het is er mogelijk om een divergerende stem te laten horen. Naast het online discussiëren over nationale zaken, geeft het internet ook de mogelijkheid om deze nationale discussiepunten internationaal te verspreiden (Puig-i-Abril et. al, 2007). De gevolgen gaan dus verder dan de grenzen van het land. Nu lijken de online activiteiten niet meer lui, he? Ik denk trouwens dat dit het belangrijkste aspect is van het gebruik van internet tijdens democratiseringsprocessen. Wanneer de overheid internationale druk voelt, kunnen échte gevolgen en acties niet lang meer uitblijven.

Een mooi voorbeeld van een transitieland dat het internet gebruikt om democratiseringsprocessen in gang te trekken is Colombia. Colombia heeft veel politiek gekleurde conflicten gekend die resulteerden in geweld. Dit geweld kan een reactie zijn geweest op machteloosheid. Mensen konden nergens naartoe met hun stem. Door de opkomst van het internet werd een kanaal beschikbaar gesteld waar dit wel kon en begon dialoog de overhand te nemen van koppige discussie. Ongeveer 30% van de bevolking van Bogota heeft internettoegang, wat veel is als we dit vergelijken met de 10% (die te wijten is aan het rurale landschap) over het hele land. Slechts 20% surft thuis, terwijl bijna de helft dit doet in internet cafés. De bevolking geniet er van het recht op meningsuiting en kennen voorlopig nog geen vorm van censuur. In Bogota vindt de situatie plaats die in mijn vorige post werd gesignaleerd. Het internet zorgt voor veel online activiteit, terwijl de offline activiteit voorlopig gering blijft (Puig-i-Abril et. Al, 2007). Ik vermoed dat de komende jaren het percentage van het aantal internetgebruikers nog zal stijgen, omdat mensen meer en meer computers en internetverbindingen in huis zullen halen, waardoor ze nog meer de kans zullen grijpen om hun stem te laten horen online. Online activisme kan in de toekomst in Colombia zorgen voor samenwerkingen, overleg en erkenning die offline nooit tot stand zouden gekomen zijn. Net zoals in Iran het geval is.

Volgens mij is er geen sprake van het tamme Slacktivisme. Het online activisme (hoewel dit vanuit de luie zetel kan) van een bevolking zal wanneer deze gegrond is internationale ogen openen, wat nationale regeringen niet kunnen negeren. Hieruit kan wel degelijk een real-life impact voortvloeien op de nationale politiek. In het geval van democratiseringsprocessen slaat de online activiteit van een bevolking niet op het narcistische feit dat het gaat om het goede gevoel van de deelnemers, maar wordt er wél degelijk getracht om op nationaal niveau iets te bereiken. Voor mijn part mag die negatieve term gerust geschrapt worden!

Bronnen

Puig-i-Abril, E., & Rojas, H. (2007). Being Early on the Curve: Online Practices and Expressive Political Participation. International Journal of Internet Science, 2(1), 28-44

“Click here to save the world” = lui?

A B C D E-participation

Nieuwe media zijn meer dan het delen van hoe geweldig je leven is of een bron van nieuws. Ze kunnen er ook voor zorgen dat een volk in een ontwikkelings- of transitieland een stem krijgt en een baan creëert naar een digitale democratie. Via deze baan krijgen ze de kans om invloed uit te oefenen op een regering en deel te nemen aan discussiefora (Putnam, 1995). Of dat staat toch beschreven in verschillende theoretische papers. Of het er in de werkelijkheid ook zo evident aan toe gaat, is een andere kwestie. We moeten in rekening brengen dat deze landen soms tot vaak te maken hebben met een beperkte toegang tot het internet. En wanneer ze die wel hebben, kan er sprake zijn van censuur. Ik bespreek in dit artikel wat er zou kunnen gebeuren wanneer er wel internettoegang wordt verleend.

Er zijn verschillende studies die een positief verband vaststellen tussen nieuwe media en democratiseringsprocessen. Het gebruik van internet bevordert het ontvangen van informatie, het starten van communicatieprocessen tussen burgers en discussiemomenten. Dit alles resulteert in meer sociaal kapitaal, wat politiek engagement stimuleert (Polat, 2005). Wanneer dit engagement online gebeurt noemt men dit e-participatie. Zuid-Korea staat op nummer 1 op de ranking van e-participatie, wat voornamelijk te danken is aan zijn technologische ontwikkelingen. De overheid lanceerde er in 2014 een ‘Government 3.0 Policy’ waardoor burgers via het internet hun mening konden geven over hoe publieke diensten er volgens hen uit moesten zien. Ik denk dat een kermis-liefhebber zijn zegje heeft gedaan over de belichting…

Bron: http://www.futuregov.asia/articles/south-korea-number-1-for-online-participation-un-e-government-rankings-2014
Zuid-Korea. Bron: http://www.futuregov.asia/articles/south-korea-number-1-for-online-participation-un-e-government-rankings-2014.

Andere studies vreesden dan weer dat de opkomst van het internet voor een digital divide zou zorgen, wat simpelweg inhoudt dat er een duidelijk onderscheid zou zijn tussen zij die wel toegang hebben tot het internet en zij die dat niet hebben. Deze laatsten zouden meestal minderbedeelden zijn. Ook werd gefilosofeerd over het feit dat problemen niet meer zouden aangepakt worden in het echte leven maar enkel zouden worden besproken op het internet. In tegenstelling tot deze zorgen blijkt uit verschillende studies dat internet de traditionele manieren van communiceren niet overschrijft, maar slechts aanvult (Althaus & Tewksbury, 2000). De interactie dat op het internet plaatsvindt resulteert zelfs in meer persoonlijk contact en politieke participatie (Kavanaugh, Reese, Caroll, & Rosson, 2005). Het isoleren van problemen tot het internet werd in de praktijk dus nog niet significant teruggevonden.

De stelling dat het gebruik van internet tot meer democratisering zou leiden moet wel genuanceerd worden. Belangrijke factoren die ook bijdragen zijn de mate van educatie, het gebruik van nieuwsmedia en het praten over politiek buiten de cyberspace. Een simpele toegang tot het internet zal er dus niet vanzelfsprekend voor zorgen dat de bevolking van een transitieland zich politiek zal uiten online. Hoe jonger, meer nieuwsconsumptie en politieke interesse, hoe meer kans dat men zich online zal uiten. Als daarbovenop nog een hoge opleiding komt, is de kans reëel dat ook offline politieke uitingen worden gedaan (Puig-i-Abril et al., 2007).

Bron: www.leighellis.net
Bron: http://www.leighellis.net

Een online discussie zal dus niet automatisch leiden tot een offline discussie. Aangezien de échte veranderingen offline dienen te gebeuren is dit een uiterst belangrijke kanttekening! Maar het durven spreken online is voor de bevolking al een stap in de juiste richting. Misschien dat hierdoor een gemeenschapsgevoel ontstaat, een gevoel waardoor mensen zich ervan bewust worden dat ze er niet alleen zo over denken, wat dan weer kan leiden tot het ondernemen van offline acties in de toekomst. Hoe dan ook is het een goede zaak dat de bevolking in transitielanden het internet kunnen gebruiken als forum om discussies te laten opwakkeren over de politieke toestand. Zo’n zaken moeten namelijk bekritiseerd worden om het leefbaar te houden.

 

Bronnen

Althaus, S., & Tewksbury, D. (2000). Patterns of Internet and traditional news media use in a networked communicty. Political Communication, 17, 21- 45.

Carroll, J. M., Kavanaugh, A. L., Reese, D. D., & Rosson, M. B. (2005). Weak ties in          networked communities. The Information Society, 21, 119-131.

Polat, R. K. (2005). The Internet and political participation: Exploring the explanatory links. European Journal of Communication, 20, 435-459.

Putnam, R. D. (1995). Bowling alone: Aerica’s declining social capital. Journal of         Democracy, 1, 65-78.

In

Puig-i-Abril, E., & Rojas, H. (2007). Being Early on the Curve: Online Practices and     Expressive Political Participation. International Journal of Internet Science, 2(1), 28-44

A B C D E-participation

“Twitter? I won’t touch it. It’s all garbage.” – Stelter, 2009

Twitter is tegenwoordig een vast gegeven in de journalistiek. Het wordt het meest gebruikt als tool om nieuws snel de ronde te laten gaan (Farhi, 2009) en geeft de bevolking de kans om rechtstreeks deel te nemen aan of te reageren op het nieuws. Belangrijke kanttekening hierbij is dat snelheid en kwantiteit niet altijd in een rechtevenredig verband staat met accuraatheid… Dit terzijde, produceert Twitter dagelijks, wat zeg ik: elke seconde, een stroom van kort nieuwsberichten. Dit nieuws kan afkomstig zijn van officiële instanties, maar vaak worden ze ook geproduceerd door informele bronnen, a.k.a. ‘de burger’ (Hermida, 2010). Deze vorm van citizen journalism houdt in dat individuen professionele journalistieke functies op zich nemen. Dit doen ze meestal door eerste vaststellingen van nieuwsfeiten te delen met de wereld (Ingram, 2008).

Hoewel er een stijging is van het aantal accounts, blijft het aandeel van de bevolking dat actief is op Twitter gering. Maar bijna de helft van die gebruikers zijn wel actief bezig met het nieuws op Twitter (Hermida, 2010). Het rapporteren van nieuws en het delen van informatie zijn twee van de belangrijkste redenen waarom mensen Twitteren (Java et al., 2007). Naast de loutere consumptie van nieuws, heeft de input van de ‘gewone mens’ op Twitter dus aan belang gewonnen. Maar is dit een goed iets?

twitter_news_source

 

Aan de professionele kant nemen redacties het citizen journalism op Twitter inmiddels au sérieux en gebruiken ze het dagelijks als nieuwsbron. Sky News, een nieuwsplatform in Groot-Brittannië, heeft zelfs een Twitter correspondent die tijdens zijn werkdagen niets anders doet dan het screenen van nieuws op Twitter (Butcher, 2009). Het zou me niet verbazen moesten meer en meer redacties een Twitter correspondent in dienst nemen. Maar de meningen over deze evolutie zijn verdeeld.

Aan de ene kant heb je journalisten die sceptisch staan tegenover het gebruik van Twitter als nieuwsbron. Zij zijn ervan overtuigd dat het nieuws er te oppervlakkig is (Wasserman, 2009). Ook de ethische normen en waarden worden door Posetti (2009) in vraag gesteld. Nieuws dat incorrect of onvolledig online wordt gegooid, enkel en alleen om niet achter te blijven in het stormachtige tempo van sociale media, kan o.a. respectloos overkomen voor de personen in kwestie. De User Generated Content (UGC) is ook niet altijd even betrouwbaar en leidde al meermaals tot incorrecte roddels en assumpties. Zo is Eddy Wally al een paar keer gestorven volgens sociale media. Dit is niet correct. Het checken van bronnen wordt jammer genoeg bij het retweeten vaak overgeslagen als het gaat om een sappig nieuwsfeit. Dit staat pal tegenover de deontologie van de professionele journalistiek.

vpnexpress.net
vpnexpress.net

Toch zijn er ook aanhangers van Twitter als bron van nieuws. Zij vinden het feit dat het nieuws zo snel tot de man komt een groot pluspunt dat de negatieve kanten overstijgt (Hermida, 2010). Het nieuws wordt van mensen op het plaats delict rechtstreeks gedeeld met instituties die de informatie publiek kunnen maken. Hoewel de berichten niet altijd even betrouwbaar zijn, geven ze ons wel à la minute een beeld van de stand van zaken. Wetende hoe nieuwsgierig mensen zijn, paste de BBC dit argument toe toen ze Tweets gebruikten tijdens de Mumbai bombardementen (Herrmann, 2009). De Tweets werden wel op voorhand gefilterd en geselecteerd op basis van normatieve nieuwswaarden, waardoor de gatekeeper rol van journalistiek niet verloren ging. Naast het louter delen van informatie, zijn deze berichtjes van maximaal 140 lettertekens ook nuttig voor het signaleren van nieuwsfeiten waar redacties anders nooit stil bij zouden staan. Het nieuws wordt er gebracht voor het nieuws is… Als je begrijpt wat ik bedoel.

Twitter kan bij nieuwsproductie gebruikt worden als croudsourcing, waarbij nieuws online wordt gegaard via Tweets van het volk. Maar kan ook gezien worden als een nieuwe soort van journalistiek, waarbij het internet invloed uitoefent op hoe nieuws er uitziet vandaag. Nieuws is steeds namelijk meer gefragmenteerd: letterlijk seconde per seconde worden kleine deeltjes info en nuances vrijgegeven van een nieuwsverhaal. Dit is heel anders in vergelijking met hoe het er vroeger aan toe ging. Een redactie vol professionals die de hoofden bij elkaar steken om nieuwsverhalen te creëren wordt vervangen door een hele groep mensen die elk een deeltje informatie vrij geven zonder het hele verhaal te kennen. Elk deeltje apart is niet van groot belang. Het gaat er om dat de combinatie van de deeltjes significanter is dan wat er ooit op een redactie zou worden geconcludeerd.

Twitter is er nu eenmaal, en is van plan om te blijven gelden als prominent nieuwsbron. Hoe moet het nu verder in de toekomst? Als ik mijn fantasie mag laten gaan, en een onbeperkt budget en intelligentie had, zou ik het volgende voorstellen:

  • Het inbouwen van een automatisch selectiesysteem: Berichten worden door een computer vergeleken. Wanneer verschillende berichten hetzelfde inhouden, wordt dit beschreven met een overeenstemmingspercentage. Hierdoor weet de journalist die het bericht eventueel overneemt of het gaat om een feit of een interpretatie. Want hoe meer berichten hetzelfde weergeven, hoe groter de kans dat het gaat om iets dat letterlijk zo gebeurd is.
  • Een tijdslimiet instellen: er wordt wel eens vaker gezegd dat Twitter enkel handig is tijdens de eerste vijf minuten van een nieuwswaardig gebeuren. Alle uren daarna gaat het om speculaties of herhaling van informatie. Daarom zou het handig zijn om een tijdslimiet in te stellen. Vanaf de eerste Tweet van een nieuwswaardig gebeuren kan er nog twee uur over getweet worden. Indien er een evolutie plaats vindt in het event, kan er vanaf de eerste Tweet over de nieuwe wending nog eens twee uur getweet worden. Enzoverder.
  • Extra scholing voor journalisten en redacteurs op vlak van sociale media: een extra scholing over hoe het allemaal in z’n werk gaat op Twitter voor journalisten en redacteurs is geen slecht plan. Ze zouden praktijklessen krijgen met cases waardoor ze niet langer verdrinken in de zee aan informatie die op Twitter beschikbaar is, maar wel het innovatieve en inspiratievolle van Tweets zullen gebruiken voor hun berichtgevingen. Dit is vooral interessant voor de iets oudere professionals.

Twitter als nieuwsbron heeft dus zijn voor- en tegenstanders en kan in de toekomst nog wat bijgeschaafd worden. Hoe dan ook ben ik verbazingwekkend genoeg pro Twitter als nieuwsbron zolang er even wordt stilgestaan bij de kwaliteit en het belang van het bericht voor de informatie wordt aanvaard en gedeeld.

Bronnen

Butcher, P. (2008) Sky News Realises News Breaks First on Twitter, Not TV –  Creates a twitter correspondent. Tech Crunch

Farhi, P. (2009). The Twitter Explosion. American Journalism Review

Herrmann, S. (2009). Mumbai, Twitter and Live Updates. BBC The Editor

Ingram, M. (2008). Yes, Twitter is a Source of Journalism. mathewingram.com

Java, Akshay, Song, Xiaodan, Finin, Tim, & Tseng, B. (2007). Why We Twitter:           understanding microblogging usage and communicaties. New York: ACM Press, 56-65

Posseti, J. (2009). Twitter’s Difficult Gift to journalism. newmatilda.com

Shiels, M. (2009). Twitter Responds on Iranian Role. BBC

Stelter, B. (2009). Journalism Rules Are Bent in News Coverage from Iran. New York Times, 28 juni.

Wasserman, E. (2009). How Twitter Poses a Threat to Newspapers. Miami Herald, 28 mei.

In

Hermida, A. (2010). Twittering the news. Journalism Practice, 4(3), 297-308

“Twitter? I won’t touch it. It’s all garbage.” – Stelter, 2009